Posts tonen met het label mediapsychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mediapsychologie. Alle posts tonen

Het geheim van een goed verhaal

Als mediamakers proberen we vaak allerhande trucs te bedenken om mensen zo ver te krijgen dat ze aan onze boodschap beginnen. Terwijl alles staat of valt met een goed verhaal.

De boeiende TED talk van Andrew Stanton (van oa Toy Story en Wall-E), 'clues to a great story', geeft bruikbare inzichten in storytelling. Dat zijn laatste film, John Carter, hard op weg is om de grootste flop aller tijden te worden, is alleen maar pijnlijk.



Een goed verhaal geeft dus niet alleen de feiten, maar is ook onderhouden, brengt mensen samen rond een groter idee en vertelt iets over je eigen persoonlijke waarden, als dat 'uses and gratifications' niet is.

De technieken die Stanton voorschrijft, zou je op elke communicatievorm moeten kunnen toepassen:

  • Make me care: maak het relevant, of het nu op intellectueel of emotioneel niveau is (of beide)
  • Elk begin moet een belofte inhouden, die je doorheen het verhaal katapulteert
  • Doseer de gebeurtenissen, feiten: niets is zo bevredigend voor mediaconsumenten om zelf de lijnen te verbinden ('connecting the dots')
  • Spanning: 'anticipation mixed with incertaintity' (Het handelsmerk van reportages op National Geographic Channel)
  • Geef de hoofdrolspelers ruggengraat, en vergroot dat ene voor het verhaal belangrijke trekje uit: everyone has an itch to scratch

Lekkere woorden, memorabele media

Doet een recept in Delicious lezers meer het water in de mond lopen dan een recept in Ambiance, gewoon omwille van het verschil in het gebruik van bijwoorden en bijvoegelijke naamwoorden? (Lekker, genieten, ...)

De Amerikaanse psychologen Loftus en Palmer geloven van wel. Want wat we ons herinneren lijkt heel erg bepaald te worden door allerhande subtiele aanwijzingen in hoe nieuws en informatie ons gepresenteerd worden. Studenten die in een experiment een filmpje van een aanrijding te zien kregen, schatten nadien de snelheid van de twee botsende wagens hoger in als de vraag geformuleerd werd met het werkwoord "smashed", dan wel met het werkwoord "hit". Sterker nog, de groep die de vraag voorgelegd kreeg met "smashed", dacht gebroken glas gezien te hebben, terwijl dit in de realiteit helemaal niet het geval was.

Tijd om even stil te staan of in teksten en kopregels wel de juiste en de krachtigste bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden gebruiken. En om deze - net als in een goed recept - in de juiste verhoudingen te gebruiken. Want - en dit komt uit de 2x10 regels om fictie te schrijven - ook hier schaadt overdaad.

Verrassende effecten van lettertype keuze

Lezen is moeilijk, en de moeilijkheidsgraad van het lezen heeft niet alleen invloed op wat en hoeveel mensen lezen, maar ook op hoe ze de inhoud decoderen.

Een experiment:

Twee groepen kregen een recept voor sushi voorgelegd. Voor de ene groep was het recept afgedrukt in het bekende pc lettertype Arial, de andere ontving het recept in het moeilijker leesbare lettertype Mistral. Beide groepen werd gevraagd hoe lang ze dachten dat de bereiding van de sushi zou vragen. De groep die het recept ontving in het Mistral lettertype dacht bijna tweemaal zo lang nodig te hebben om de sushi te bereiden. De onderzoekers, Song en Schwarz, herhaalden hetzelfde experiment met instructies voor lichaamsoefeningen en met andere lettertypes. Ook hier dachten de de gebruikers die hun aanwijzingen kregen in het moeilijkere lettertype bijna tweemaal zoveel tijd nodig te hebben om de oefeningen af te werken.


Straf? Bedenk dan dat groepen die brainstormen in een ruimte waar een logo van computerfabrikant Apple ophangt, met veel meer ideeën komen dan vergelijkbaar samengestelde groepen die aan de slag gaan in een ruimte waar het logo van Microsoft ophangt.

Conclusie: alles (lengte, lettertype, kleuren, sleutelwoorden, moeilijkheidsgraad ... ) bevat hints die bepalen of, hoe en wat lezers uit je tekst decoderen.

Om het met Steve Krug te zeggen : Don't make me think. En daar is toch nog wel wat werk aan : vrijdag zag ik in onze kranten/websites colums die amper herkenbaar waren als column, doorverwijzingen die naar pagina's leiden waar je zelfs met zoeken amper de vervolgdraad kon oppikken ...

Persoonlijkheid voorspelt mediagedrag

Lefgozers en conformisten zijn grotere media gebruikers. Wie hoog scoort op 'openness' (intellectuele nieuwsgierigheid, verkennen ...) is ook vaker het internet gebruiker, wie hoog scoort op 'dogmatisme' (aanvaarden autoriteit) minder. Lefgozers (risico, scherpe uitspraken) lezen dan weer minder kranten, terwijl leiders (visie, daadkrachtig) en dynamische mensen (energiek en actief) juist in verhouding meer kranten lezen. Die laatste groep, samen met wie "open staat" leest ook meer tijdschriften (en is ook avontuurlijker in het proberen van nieuwe dingen). Dynamische mensen luisteren ook meer radio. Wie een hogere kans heeft om tv te kijken, scoort doorgaans laag op dynamiek, openheid en leiderschap.

Dat moet blijken uit een studie van Mindset media, die je in samenvatting kan nalezen bij advertising age.

Mindset Media, een Amerikaanse advertentie aquisitie organisatie, hanteert een psychografisch model bij het plannen van reclame campagnes. In dat model komen de traditionele drijfveren terug zoals we die ook in de censydiam mappings terugvinden. Mindset heeft ervoor gekozen om deze als een 'periodiek systeem der elementen' voor te stellen, wat een leuk gimmick is.



Leuke gimmicks, alleen zijn er nog wel wat beren op de weg. Het onderzoek gebeurde weinig transparant en enkel online. De bruikbaarheid is beperkt zo lang je geen profiel krijgt van lezers, kijkers of luisteraars van de afzonderlijke zenders, krantentitels of magazine titels. (Want niet alle media zijn gelijk gecreëerd :-) En een belangrijke beperking voor media bouwers in de Benelux, is uiteraard dat het hier om Amerikaanse media gaat, en dat de invulling van de verschillende mediumtypes ginds ook wel een stuk de gebruikers zal selecteren.

Toch passen heel wat stukjes in de grote media puzzel:
  • Dit onderzoek bevestigt nog maar eens hoe moeilijk het is voor TV om het 'unserved audience' (of beter underserved) te bereiken, wat 8 later deze maand wil proberen (weliswaar met een bijzondere line up van programma's, dus even afwachte)
  • De studie haalt ook media gedrag aan, dat we ook in ander onderzoek terugvinden. Dat krantenlezers vaker milieubewust zijn en recycleren, bijvoorbeeld. (Lees ook Regionale dagbladen en lokale attitudes en Waarmee jongeren bereiken: met Britney of met het milieu ?) Dat zijn dingen waar je makkelijk inhoudelijk op kan inspelen en waarrond je ook je "community" kan mobiliseren. Maar daarover in de volgende dagen meer.
  • Introverten luisteren in verhouding weinig of niet radio? (Alles in het Noorden van de censydiam mappings) Zet dan volledig in op het extraverte, zoals Joe FM (B) dat bv. doet.

Onderbreken mag. Reclame versterkt de media ervaring

Reclame maakt tv programma's leuker. Of beter nog: onderbrekingen maken tv programma's leuker. (Lees ook hoe kijkers aan het scherm te kluisteren).

In verschillende experimenten werd aan groepen hun waardering gevraagd voor een tv programma, waarbij de ene groep het programma 'met reclame', en de andere groep het programma 'zonder' kreeg te zien. Opvallend genoeg werden de programma's met reclame meer gewaardeerd. Dat was overigens minder het geval bij complexe series als 24, dan zelf al veel onderbrekingen of tempo wisselingen kennen.

Aan de testpersonen werd overigens vooraf niet meegedeeld wat de test juist inhield, wat nog maar eens het verschil tussen verklaringen van media consumenten en hun werkelijke gedrag illustreert.

Het geheim is - volgens de New York Times - dat goede ervaringen snel wennen. Dat effect blijft overigens niet beperkt tot TV, de NYT haalt een studie aan waaruit blijkt dat zelfs een massage met onderbrekingen meer gewaardeerd wordt, dan eentje zonder. Omgekeerd wordt een slechte ervaring nog negatiever beleefd als deze onderbroken wordt.

Om-mee-te-nemen: of je een krant, tijdschrift, radio of tv programma maakt : kijk evenzeer naar de mix als naar de samenstellende delen, hoe goed die op zich ook kunnen zijn. Stel je de vraag of er voldoende afwisseling zit in inhoud, beelden ... of dat je te lang dezelfde invalshoek, hetzelfde onderwerp, hetzelfde soort beelden of oriëntatie blijft aanhouden. Jouw vakmanschap hoort het midden te houden, tussen voorspelbaarheid enerzijds en een totaal gebrek aan lijn anderzijds. Het bladritme als je wil.

De originele studie, Enhancing the Television-Viewing Experience through Commercial Interruptions, die in augustus 2009 in Journal Of Consumer Research zal verschijnen, kan je hier reeds afladen.

De rol van sensatie in media

Inzichtlezers hebben een uitgesproken hekel aan sensatie in de media. Vroeg of laat neemt elke zichzelf respecterende mediablog dan ook wel de zogenaamde de sensatiebelustheid van media op de korrel (villamedia, mediadebat, spotlight ...)

Weinig aandacht gaat naar het "waarom" van sensatie. Mediawatchers komen amper verder dan dat tv stations meer kijkers proberen te bereiken en dat dagbladen hun oplage proberen te verhogen door meer kranten te verkopen.

Laten we het eens bekijken vanuit de (vele) mediaconsumenten. Inpluglezers willen deel uitmaken van een groter geheel en zijn vaker op de groep georiënteerd. "Sensationele" berichten geven je de kans de vreugde of afschuw te voelen (vandaar ook letterlijk"sensatie") die anderen ook voelen, het gevoel te beleven dat dit gedeelde vreugde of verdriet is wat opnieuw het gevoel geeft ergens toe te behoren. Daarbij zal dit nieuws ook een stuk de agenda bepalen in gesprekekken en sociale contacten, wat leidt tot een verdere sociale integratie.

"Sensatie" op zich is dus niet slecht en de houding van mediawatchers t.o.v. sensatie vertelt meer over hun persoonlijke mediamotieven dan over de maatschappij. Sensationele berichten hebben hun plaats in media (want anders zou je grote groepen mensen helemaal niet bereiken), wat niet betekent dat media geen maatschappelijke rol hebben en er niet moeten voor waken hun gebruikers niet te manipuleren. Inpluglezers zijn namelijk ook vaker heavy users van tv (inzichtlezers zijn vaker lezers van kwaliteitskranten),en er is duidelijk wel een verschil tussen hoe emoties de verwerking van print en video informatie sturen.

Rollen voor nieuwstijdschriften in het informatietijdperk

Op een blog van het Franse nieuwsmagazine L'Express (Roularta) kan je via slideshare de presentatie van het onderzoek "La nouvelle ère de l'information" inkijken. Doelstelling was om de rol en positionering van opiniebladen (type Knack (B), Elsevier (NL), HP De Tijd (NL) ...) af te bakenen in een omgeving van mondige gebruikers, met weinig tijd.

Slide 14 en volgende zijn nog het meest interessant. Opiniebladen helpen gebruikers de wereld te begrijpen, te duiden en geven hun lezers houvast om zich te onderscheiden en de juiste beslissingen te nemen. Onthou dat het een studie is voor en over nieuwsmagazines, en dat wat dus over andere media vertelt wordt vooral achtergrond is voor de findings over nieuwsmagazines

Hitchcock: Master of suspense, master in media

Als mediaonderzoeker leer je snel het verschil tussen wat lezers, kijkers of luisteraars over zichzelf zeggen t.o.v. wat ze in de realiteit doen. (Lees ook: the perils of self-reporting) .

De fMRI scanner, die toont welke hersendelen qua activiteit oplichten wanneer mensen media consumeren, vormt dan ook een bijzonder interessant experiment om zicht te krijgen op hoe media gebruikes nu werkelijk in elkaar zitten.

Helaas is kunnen we nog lang niet over mediagebruik in een natuurlijke omgeving spreken, maar als je ziet welke evolutie bv. oogcamera onderzoek doorheen de jaren heeft doorgemaakt, (vandaag een bijna onzichtbare, passieve sensor, tegenover een jaar of 20 terug een helm voor de proefpersoon die veel weg had van een motorhelm) laat dat het beste voor de techniek verhopen.

Onderzoekers van het Computational Neuroimaging Labaratory in de VS gingen de reacties na van 45 proefpersonen op ongemonteerd videomateriaal en films van Leone en Hitchcock. Hoe beter de fragmenten "geproduceerd" waren, hoe meer hersendelen activiteit vertoonden (en hoe meer "engagement" je dus mag veronderstellen). Ongemonteerde video scoorde slecht, Leone's "The Good, The Bad and the Ugly" scoorde beter en Hitchcocks "Bang! Your dead" uit 1961, scoorde het best.

Hoewel Hitchcock niet over fMRI of andere speeltjes beschikte, wordt volgend citaat wel (en dus niet onverdiend) aan hem toegeschreven:

"creation is based on an exact science of audience reactions"

Lees het artikel (met link naar hetvolledige rapport in pdf) vind je hier

Lezen, online en op papier

  • Michael Agger schreef voor Slate magazine een artikel bij elkaar over "how we read online". Lees zeker door naar het einde waar de verwijzing naar een uitgebreide studie over "pleasure reading" van boeken (tijdschriften, magazines) door hoger opgeleide, introverte en ervaren lezers zeker meer aandacht waard was.
  • Agger refereert ondermeer naar Jakob Nielsen. Nielsen postte vorige week een artikelop zijn site over het verschil tussen schrijven voor het internet en schrijven voor print, of bij uitbreiding "het verschil tussen werken voor lineaire (krant, tijdschrift, tv, radio ...) en niet lineaire media. Bij lineaire media creëer je als mediamaker zelf de ervaring en neem je (hopelijk) de mediaconsument mee op sleeptouw. Bij niet-lineaire media (internet) stellen gebruikers zelf hun mediaervaring samen, vaak met een vooraf bepaald doel terwijl ze verschillende bronnen raadplegen. Dat maakt het zinvol om eerder fragmentarisch te werken, zodat "hoog-informatieve-sleutelwoorden" in het oog springen.
  • Robert-Jan van Diepen bericht bij Marketingfacts over een studie naar het verschil tussen het lezen van een tekst in één of twee kolommen. Veel kritiek in de commentaren op het opzet van de studie, waar proefpersonen naast een bladeropdracht ("browse") ook een zoekopdracht kregen. Vooral de zoekopdracht wordt als onnatuurlijk in vraag gesteld. Maar lezers, of het nu print of web is, zijn constant op zoek naar "hoog-informatieve-sleutelwoorden". Lezers van een regionale krant scannen onbewust teksten op namen van mensen en plaatsen die ze kennen. Lezers die de koppen van een tijdschrift scannen, wegen de meest waarschijnlijke interpretatie van een titel af aan hun interesses en wegen dat af tegen de moeite die het hun zal kosten om het artikel te lezen (zoals de relevantietheorie met haar "cues" voorspelt). Dus is de "zoekopdracht" nog niet zo'n gekke benadering van een belangrijk proces in het leesgedrag van mediaconsumenten.
  • Maar misschien maakt juist al dat scannen ons wel dommer, en ongeschikt om ons te verdiepen in langere teksten, schrijft Nicholas Carr in The Atlanthic Montly. Wat ons terugbrengt bij punt 1 van deze post.

AP: A New Model For News

AP heeft vandaag haar etnografische studie "A New Model For News" gepresenteerd. (als aangekondigd) Het rapport kan hier gedownload worden.

Een samenvatting: De onderzoekers spreken over een ongebalanceerd nieuwsdieet bij jongeren: digitale media bombarderen jongeren aanhoudend met feiten, updates en headlines, die een erg repetitief karakter krijgen. Mediagebruikers kunnen niet veel meer dan skimmen. Een onderzoeker vergeleek het met fastfood: te veel Franse frietjes, te weinig groenten. De analogie met "snacking" is geen toeval, een aantal proefpersonen gaf ook aan vooral het nieuws te volgen op momenten dat ze zich verveelden. Dat verklaart ook waarom nieuwsconsumptie al multitaskend gebeurt. Over het concept van "social currency" hadden we het reeds eerder.

Idealiter krijgt een "verhaal" volgens de studie 4 ingangen: feiten, updates, achtergrond én "what's next". De uitdaging is om "paden" hiertussen aan te leggen, zodat nieuwsconsumenten, van waar ze ook komen, in hun eigen tempo en op een moment naar keuze de ingang kunnen kiezen die op dat moment hun voorkeur wegdraagt.

AP heeft een reeks initiatieven genomen om zich beter rondom de verwachtingen van mediaconsumenten te organiseren. Het nieuws wordt gestructureerd in verschillende lagen, die overeenkomen met bovenstaande 4 ingangen. Binnen een aantal interessedomeinen worden bredere, meer diepgravende stukken aangemaakt, maar wel in een vorm die zich voor de verschillende platformen moet lenen. Ook de nieuwsconsument zelf kan een rol spelen.

Als voorbeeld van een nieuwsorganisatie die dit model al geïmplementeerd heeft wordt Telegraph.co.uk genoemd. Graag wordt verwezen naar de sterke groei die de site recent doorgemaakt heeft, en waar we reeds eerder over blogden. Het voorbeeld is helaas wat ongelukkig gekozen, omdat Telegraph.co.uk zeker ook bezoekers te danken heeft aan opgevoerde SEO inspanningen. Tegelijkertijd staat de validiteit van de gegevens in vraag.

In functie van eerdere berichten had ik iets meer verwacht. De aanbevelingen zijn zinvol, maar differentiëren je als nieuwsorganisatie helaas weinig of niet van de andere uitdagers.

Rouwverschijnselen bij einde tv serie

Brits onderzoek leert dat 22% van de kijkers "rouwverschijnselen" vertonen als een populaire serie afloopt. TV trauma noemt Media Life Magazine het. Bij 16-24 jarigen geeft 13% aan soms te dagdromen dat ze deel uitmaken van hun favoriete serie en geeft 31% te kennen te huilen bij het afscheid. Deze kijkers hebben geïnvesteerd in een band met hun tv-figuren (voor een aantal is er zelfs sprake van verliefdheid), daarnaast gaat er ook een stukje "regelmaat" verloren, die mensen helpt hun dagen en tijd te structureren (wat op microniveau ook een belangrijke functie is voor ochtendradio).

De verklaring lijkt deels in de evolutionaire psychologie te liggen. Onze hersenen zijn nog bedraad zoals dat 100.000 jaren terug was en maken op biologisch niveau geen onderscheid tussen "echt" en tv. Wie we regelmatig zien, is waarschijnlijk vriend of familie. Dezelfde verklaring zoekt ook de Vlaamse Charlotte De Backer voor het succes van roddel in (al dan niet gespecialiseerde) magazines.

Vanavond loopt overigens in België de ongezien gehypte reality reeks "mijn restaurant" af. Iets waar (oud-student) Kristof Hoefkens bij De Standaard niet rouwig om lijkt te zijn, want volgens hem lijken verhaallijnen en personages nu wel uitgeput.

TAKE AWAY 2/6: Als je inderdaad kan spreken van "rouwverschijnselen", dan ligt hier een kans om de levensduur van personages en verhaallijnen te verlengen. Web2.0 platformen laten gebruikers toe hun ervaringen te delen, randinformatie te posten over de serie en personages na afloop ... enz Omdat dit na afloop van de serie is, heeft dit uiteraard geen invloed op de kijkcijfers (tenzij via de "net gemist" mogelijkheid via digitale tv platformen), maar het kan wel een mooie "value added" voor adverteerders en sponsors zijn

Antropologische studie AP bij jongeren

Editors Weblog meldt dat het Amerikaanse persagentschap AP een antropologische studie naar jonge mediaconsumenten zal voorstellen op het World Editors Forum van begin juni. Dit is een kwalitatieve benadering van mediaonderzoek, waarbij 18 jongeren tussen 18 en 34 jaar dagenlang van nabij in hun mediagebruik werden gevolgd. Vaak heeft dit type onderzoek meer een verklarende of verkennende waarde, dan de ambitie om representatief te zijn.

De bestudeerde jongeren volgen vooral 'facts' en 'updates', maar lijken ook bijzonder geïnteresseerd te zijn in "what's going to happen next". Heel vaak kwam het nieuws electronisch toe (e-mail), en werd het verder verspreid via sms, sociale netwerken en opnieuw e-mail. Daarmee wordt nieuws een soort "social currency", een investering in de uitbouw en onderhoud van het sociale netwerk van jongeren. Volgens de onderzoekers is dit een universeel mechanisme, en is er weinig verschil tussen jongeren in de VS of India. De uitdaging voor mediabedrijven is m.a.w. nieuws te brengen dat waarde heeft voor jongeren als "social currency".

Het is nog even afwachten tot we meer informatie over de studie hebben, maar de conclusie dat nieuws waarde heeft als "social currency" is in ieder geval een open deur. Sociale integratie (Uses & Gratifications) is een basisfunctie voor een medium, en wat dat betreft zijn er geen verschillen tussen jongeren of ouderen.

Mindich wees er in "Tuned Out" (2005) op dat politiek nieuws enkel gevolgd wordt door jongeren die ook in hun community nieuwsfeiten al bediscussiëren, en dat anderen voluit voor "meteen bevredigende" ontspanning gaan. En in Nederland was er (2006) een gelijkaardig discours in het niet geheel ongecontesteerde onderzoek van Irene Costera Mijer. Berichten die overigens ook als "social currency" ingezet kunnen worden. In dit recente artikel in The New York Times wordt (ondersteund door onderzoek van The Pew Internet & American Life Project) gesproken van een "social media generation", waarvoor het "delen" van informatie natuurlijker is dan het "zoeken" naar. Wat leidde tot deze veelzeggende uitspraak in een focus groep: "if the news is that important, it will find me". Eén les is in ieder geval sites maar best een minimale "sharing" (digg en andere) en forwarding functionaliteit moeten voorzien, samen met een overzicht van meest gedeelde/geforwarde artikelen.

Interessant in die zin is de conclusie die Henk Blanken trekt: nieuws is niet wat nu gebeurt, maar wat straks gaat gebeuren. In een wereld waar informatie quasi ogenblikkelijk naar je toekomt, waar iedereen in je sociale netwerk bijna op hetzelfde moment over dezelfde informatie beschikt, kun je je voorstellen dat alleen wat straks gaat gebeuren, nog nieuwswaarde heeft, nog kan verrassen of verbazen. De evolutie zogenaamde prediction markets zouden een voorbode hiervan kunnen zijn, hoewel het succes hiervan nog eerder beperkt tot twijfelachtig is (Voorbeeld: mediapredict).

Wie kijkt waarom reality TV

Psyorg.com legt vandaag het verband tussen interesse in reality TV en het gebruiken van sociale netwerken. ("We're All Stars Now: Reality TV, Web 2.0 and Mediated Identities") Jongeren die vaak naar reality shows kijken, hebben een veel uitgebreider sociaal netwerk, zullen vaker foto's opladen enz... Ook opvallend is dat reality tv kijkers in verhouding veel meer "oppervlakkige" vriendschappen kennen, online vrienden die men in realiteit zelden of nooit ziet. De onderzoekers spreken dan ook graag van "mediated selfs", de persoonlijkheid zoals we die naar anderen toe projecteren via (sociale) media, en leggen het verband met typisch "celebrity" gedrag.
De studie zelf kan hier ingekeken worden.

Op de vraag waarom mensen reality tv kijken zijn verschillende invalshoeken mogelijk. De studie van Steven Reiss ("Why people watch reality tv") koppelt het kijken naar reality tv aan verschillende persoonlijkheidstypes. Hij legt ondermeer het verband tussen kijken naar reality shows en status motieven. Interessante inzichten in waarom we zo geïnteresseerd zijn in celebrities vind je ook in de evolutionaire psychologie, bij Charlotte De Backer.

Take-away: mediagebruik is vaak aspirationeel. Nieuwe media creëren nieuwe mogelijkheden, maar ook in "oude" media zijn er mogelijkheden te over om ons "mediated self" te tonen.

Priming effecten bij mediaverwerking

Onderzoekers aan Wharton toonden aan hoe "cues" (hints) uit de omgeving later de verwerking van media beïnvloeden. Proefpersonen die eerder een illustratie van een hond te zien kregen, herkenden sneller het merk Puma. De verklaring ligt in de associatieve werking van ons geheugen: de associaties tussen hond en kat liggen niet ver uit elkaar, en van kat naar Puma is ook niet zo'n enorme gedachtensprong als dat pad doorheen ons associatief netwerk eenmaal open ligt.
"Pumas, Planets and Pens: how cues in the environment influence consumer choice". In dezelfde lijn ligt het onderzoek van Gavan Fitzsimons aan Duke University: alleen al het kortstondig zien van het logo van Apple maakt ons meer creatief (audio interview, pdf met "automatic effects of brand exposure on motivated behaviour" )
UPDATE: vandaag (14/4) brengt marketingonline.nl de case van hoe Mars in 1997 significant meer candybars verkocht in het verlengde van de berichtgeving over de landing van marssonde pathfinder.

Take-away: wat houdt mensen vandaag bezig? Een verband met jouw boodschap, hoe indirect ook, maakt elk bericht meer relevant